De markt voor fusies en overnames in Nederland laat een opleving zien. In het tweede kwartaal zijn 85 transacties gesloten. Dat is 12% meer dan in de eerste drie maanden van het jaar, blijkt uit cijfers van databank OverFusies.nl.
'In januari ging de telefoon zelden. Iedereen was in verwarring over de richting van de markt. Nu is het weer drukker', constateert Frits van Servellen, partner bij overnamespecialist PhiDelphi Corporate Finance. 'Er is volop beweging. De paniek is voorbij', zo beaamt Maarten Wolleswinkel van Holland Corporate Finance.
Veel transacties zijn echter uit nood geboren. Concerns hebben geld nodig om schulden af te lossen en verkopen daarom dochterbedrijven. 'Het tafelzilver wordt van de hand gedaan', zegt Wolleswinkel. Een voorbeeld is uitgever PCM, die middelen vrijmaakt door zijn boekendivisie af te stoten. Wie niet per se hoeft te verkopen, doet dat ook niet. 'Daarvoor zijn de prijzen nog te laag', signaleert Van Servellen.
De indruk is dat kopers weer enige moed verzamelen bij het uitbrengen van een bod. 'Voorwaarde is dat er een voorspelbare cashflow is', zo stelt Wolleswinkel. Wat helpt zijn de oplopende beurskoersen, die fungeren als referentie voor de waardering van niet-genoteerde ondernemingen.
De grondslag voor de prijsbepaling ligt wel aanzienlijk lager dan tijdens de hausse op de fusie- en overnamemarkt twee jaar geleden. Verkopers van middelgrote bedrijven mogen blij zijn als zij vier- à zesmaal de brutowinst (ebitda) uitgekeerd krijgen. Voorheen was een factor acht à negen niet ongebruikelijk. De tijd van veilingen, waar gegadigden tegen elkaar opbieden, is voorbij. De fusiespecialisten moeten actiever op zoek naar kopers.
Maar 'als er synergie te bereiken is, is een transactie nog zeker haalbaar', zegt Wolleswinkel. Illustratief is de verkoop van iMeter, een in Nederland gevestigde producent van gasmeters. Dit bedrijf was in handen van een Turks conglomeraat. Wat ontbrak waren afzetkanalen voor de producten van iMeter. Daarin is nu voorzien met de nieuwe eigenaar, Dresser Inc, die wereldwijd beschikt over verkooppunten.
Behalve strategische kopers tonen ook private equity-huizen weer interesse, vooral als ze weten dat de verkoper klem zit. 'Dan zijn er voor hen buitenkansjes te halen', zo stelt Wolleswinkel. Een complicatie is dat banken minder scheutig zijn met financiering. Na alle financiële debacles beperken ze hun lening tot driemaal de brutowinst, waar ze vroeger tot een factor tien gingen. Het gevolg is dat de overnemende partij veel meer eigen geld moet inbrengen: zo ongeveer de helft van de te financieren som. 'Dat heeft een drukkend effect op de overnamesom. Want de kosten van private equity zijn hoger dan die van bancair geld', zo legt Van Servellen uit.
De financiers rekenen zelf met rendementseisen van 15% à 20% op hun vermogen, terwijl ze voor de lening van de bank momenteel niet meer dan 4% rente betalen, inclusief opslagen. Daarbij wordt gekozen voor kortlopende kredieten met afdekking van het risico van een stijgende marktrente.
Private equity-huizen zijn vooral gespitst op bedrijven die hun bodem hebben bereikt. Onder de hoede van de financier moet dan winstherstel optreden. Doel is om de activa na verloop van jaren te verkopen op basis van een hogere waarderingsgrondslag.
De huidige, lagere waarderingen treffen ondernemers op leeftijd die vanwege gebrek aan opvolging in de familie de verkoop niet langer kunnen uitstellen.
Bron: Het Financieele Dagblad, www.fd.nl, 27 juli 2009